afschaffen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
afschaffen afgeschaft
afschaffing
Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
afschaffen schafte af afgeschaft
zwak -t volledig

Werkwoord

afschaffen

  1. overgankelijk tot een einde brengen
    • Nadat de subsidie voor computers voor werknemers was afgeschaft, werden er ineens veel minder computers verkocht.
    • De rookpauze is in dit bedrijf vorig jaar afgeschaft.
      Zodra de oorlog voorbij was zouden ze deze beperking van het recht van de huisbazen uiteraard afschaffen.[1]
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. tot een einde brengen

Catalaans: abrogar (ca) (van wet), suprimir (ca) (van wet), abolir (ca) (van slavernij, doodstraf), renunciar a (ca) (gewoonte) Duits: abschaffen (de) Engels: abolish (en), do away with Frans: abroger (fr) (van wet), supprimer (fr) (van wet), abolir (fr) (van slavernij, doodstraf), se défaire de (fr) (bedienden), congédier (fr) (bedienden), renoncer à (fr) (gewoonte) Italiaans: abolire (it) Kiribatisch: tiku Noors: avskaffe (no) Nynorsk: avskaffe (nn) Papiaments: aboli Portugees: abolir (pt) Spaans: abolir (es), abrogar (es), derogar (es)

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen


  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be