band - WikiWoordenboek (original) (raw)

band [1]

band [3]

band [7]

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
1,2,4,5,6 enkelvoud meervoud
naamwoord band banden
verkleinwoord bandje bandjes
Woordherkomst en -opbouw
3 enkelvoud meervoud
naamwoord band bands
verkleinwoord bandje bandjes

Zelfstandig naamwoord

de band m

  1. (techniek) ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
    • Die auto heeft een lekke band.
    • Een hoepel is een band om een ton.
  2. breed koord, langwerpige strook
    • Om niet te vallen had hij een band om zijn middel geknoopt.
      Terwijl haar blik heen en weer schoot, bedekten de vingers van haar linkerhand het plastic bandje om haar pols.[4]
      Ze pakte de twee bandjes en liet deze door haar vingers glijden. ‘Lance Armstrong is ermee begonnen,’ zei Jeroen ineens. ‘Je kent ze wel, die gele bandjes.[4]
  3. (muziek) groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
    • Op het festival hier zijn superveel bands.
      Met elk drankje voelde ik me meer op mijn gemak en begon luidkeels mee te zingen met de bekende nummers die de band speelde.[5]
  4. (sociologie) relatie 2, meestal niet amoureus
    • "Hebben jullie een goede band met elkaar?"
  5. (spel) de binnenrand van een biljarttafel
    • De biljartbal raakte eerst de lange band.
  6. (telecommunicatie) frequentieband
  7. (techniek) een langwerpig lint waarop informatie, geluid of beeld kan worden vastgelegd, meestal magnetisch
    • Ik maakte een bandopname van de muziekgroep.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

[1]

In het algemeen

Gekke dingen doen die normaal gesproken achterwege zouden blijven

[2]

[5]

Vertalingen

1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming

3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt

Bulgaars: група (bg) v, банда (bg) v Duits: Band (de) v, Kapelle (de) v, Musikkapelle (de) v, Combo (de) v Engels: band (en) Esperanto: bando (eo) Estisch: bänd (et), ansambel (et) Fins: soittokunta (fi), yhtye (fi), bändi (fi) Hebreeuws: להקה (he) v (lehaqa) Koreaans: 밴드 (ko), 그룹 (ko), 악단 (ko) Kroatisch: bend (hr) m Pennsylvania-Duits: Baend (pdc) v Pools: zespół muzyczny (pl) m, grupa muzyczna (pl) v Roemeens: formație (ro) v Russisch: оркестр (ru) m, ансамбль (ru) m Spaans: banda (es) v, grupo (es) m Tsjechisch: kapela (cs) v Zweeds: band (sv) o

5. de binnenrand van een biljarttafel

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. band op website: Etymologiebank.nl
  2. band op website: Etymologiebank.nl
  3. "band" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. 1 2All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2

  5. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Duits

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

band

  1. eerste persoon enkelvoud verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van binden

band

  1. derde persoon enkelvoud verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van binden

Engels

enkelvoud meervoud
band bands
vervoeging
onbepaalde wijs to band
he/she/it bands
verleden tijd banded
voltooid deelwoord banded
onvoltooid deelwoord banding
gebiedende wijs band
Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

band

  1. band, ring, streep, strook
  2. (muziek) band [3], muziekband, muziekgroep
  3. (telecommunicatie) band [6], frequentieband

Werkwoord

band

  1. onovergankelijk zich verenigen
  2. overgankelijk strepen, van strepen voorzien

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

band

  1. genitief meervoud van banda

Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
Naar frequentie 1322
bands enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief band bandet band banden
genitief bands bandets bands bandens

Zelfstandig naamwoord

band o

  1. band (lint)
  2. band (boekband)
  3. (muziek) band (groep van musici)
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

band

  1. nominatief onbepaald onzijdig meervoud van band (lint, boekband, groep van musici)