kalmeren - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
kalmeren kalmeerde gekalmeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

kalmeren

  1. ergatief kalm worden
    • De storm is gelukkig wat gekalmeerd.
  2. overgankelijk kalm maken
    • De groepsleider kalmeerde de jongen.
  3. wederkerend zich ~ : zich kalmeren
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. kalm worden

Duits: beruhigen (de), besänftigenn (de) Engels: calm (en), soothe (en) Frans: calmer (fr), apaiser (fr) Spaans: sosegar (es), calmar (es), acallar (es), aplacar (es), aquietar (es)

3. zich kalmeren

Duits: sich beruhigen (de), sich besänftigen (de) Engels: calm down (en) Frans: se calmer (fr) Spaans: sosegarse (es), calmarse (es), apaciguarse (es) Waals: si rapåjhî (wa), si rapåjhter (wa)

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Wiktionnaire
  2. kalmeren op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be