kennen - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ken·nen
Woordherkomst en -opbouw
- In de betekenis van ‘weten’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
- Van het Proto-Germaanse kannjan-, een causatief van de wortel waar ook kunnen uit is ontstaan. [2]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs | verleden tijd | voltooid deelwoord |
| kennen | kende | gekend |
| zwak -d | volledig |
Werkwoord
kennen
- overgankelijk bekend, vertrouwd zijn met
- overgankelijk door studie of oefening geleerd hebben
- Ik ken de leerstof grondig genoeg.
- het wel moeten ~: vaak ergens door getroffen worden
- Je hebt het de laatste maanden wel moeten kennen, zeg! Eerst die ziekte, nu weer dat ongeluk!
- overgankelijk iets ondervinden, doormaken, ervaren
- In de jaren tachtig kende Nederland een langdurige crisis.
Hyponiemen
- bekennen, erkennen, herkennen, miskennen, onderkennen, ontkennen, terugkennen, toekennen, verkennen, vrijkennen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: Ik kende geen els uit een eik.
Ik kon geen els van een eik onderscheiden.
- Aan de veren kent men de vogel
aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt. De kleren maken de man.
- Aan de vruchten kent men de boom
je kunt alleen iemand echt leren kennen door de dingen die doet en de manieren waarop iemand dingen aanpakt
- Bij het scheiden van de markt, leert men de kooplui kennen
als de zaken eenmaal gedaan zijn leer je iemand pas kennen
- De kaart kennen
- De tijd kent geen genade
de tijd gaat sneller voorbij dan je denkt
- Geen a voor een b kennen
- Het klappen van de zweep kennen
veel ervaring hebben met iets
- Het verschil tussen mijn en dijn niet kennen
stelen
- Iets kennen als het ABC
- Ik ken mijn pappenheimers
- In de nood leert men zijn vrienden kennen
als je in moeilijkheden zit merk je wie echt je vriend is
- Men moet stegen voor straten kennen
- Op zijn duimpje kennen
iets erg goed kennen
- Twee kramers kennen elkaar wel
- Van haver tot gort (kennen)
volledig, door en door kennen
- Wat de boer niet kent dat eet hij niet
onbekend maakt onbemind ofwel: als iets onbekend is eten sommige mensen dat niet
- Zijn pappenheimers kennen
Weten hoe diens pupillen zijn
- de dood kent geen lieve kinderen
iedereen gaat dood
Vertalingen
1. bekend, vertrouwd zijn met
2. door studie of oefening geleerd hebben
Gangbaarheid
- Het woord kennen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "kennen" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
Verwijzingen
- ↑ "kennen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ kennen op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Weblink bron “Topchefs geschokt door dood Jonnie Boer: 'Hij leerde mij alles'” (23 april 2025), NOS - ↑
Tim Voors
“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Duits
Uitspraak
Geluid: kennen (hulp, bestand), kennen (hulp, bestand)
- IPA: /ˈkɛnən/
Woordafbreking
- ken·nen
Woordherkomst en -opbouw
- erfwoord Ontwikkeld uit Oudhoogduits kennen (uit Germaans *kannijanan, zie ook bovenstaande) voor het eerst aangetroffen in de 9e eeuw, met het voorvoegsel bi- in de 8e eeuw. [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd | voltooid deelwoord |
| kennen /ˈkɛnən/ | kannte /ˈkantə/ | gekannt /gəˈkant/ |
| zwak | volledig |
Werkwoord
kennen
- overgankelijk kennen, bekend, vertrouwd zijn met
Verwijzingen
- ↑
Weblink bron kennen in:
Wolfgang Pfeifer et al.
Etymologisches Wörterbuch des Deutschen (1993), digitalisierte und von Wolfgang Pfeifer überarbeitete Version im Digitalen Wörterbuch der deutschen Sprache op dwds.de