kennen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
kennen kende gekend
zwak -d volledig

Werkwoord

kennen

  1. overgankelijk bekend, vertrouwd zijn met
    • Ken je de nieuwe overburen al?
      De verslagenheid is groot, zegt Van de Laar. "Iedereen kent hem wel in onze wereld. Hij heeft mij en vele anderen in de restaurantwereld gebracht naar waar ze nu staan".[3]
      Tijdens het koken zat iedereen elkaar continu te stangen alsof we elkaar al jaren kenden.[4]
  2. overgankelijk door studie of oefening geleerd hebben
    • Ik ken de leerstof grondig genoeg.
  3. het wel moeten ~: vaak ergens door getroffen worden
    • Je hebt het de laatste maanden wel moeten kennen, zeg! Eerst die ziekte, nu weer dat ongeluk!
  4. overgankelijk iets ondervinden, doormaken, ervaren
    • In de jaren tachtig kende Nederland een langdurige crisis.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Ik kon geen els van een eik onderscheiden.

aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt. De kleren maken de man.

je kunt alleen iemand echt leren kennen door de dingen die doet en de manieren waarop iemand dingen aanpakt

als de zaken eenmaal gedaan zijn leer je iemand pas kennen

de tijd gaat sneller voorbij dan je denkt

veel ervaring hebben met iets

stelen

als je in moeilijkheden zit merk je wie echt je vriend is

iets erg goed kennen

volledig, door en door kennen

onbekend maakt onbemind ofwel: als iets onbekend is eten sommige mensen dat niet

Weten hoe diens pupillen zijn

iedereen gaat dood

Vertalingen

1. bekend, vertrouwd zijn met

2. door studie of oefening geleerd hebben

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. "kennen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. kennen op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 24 april 2025 Weblink bron “Topchefs geschokt door dood Jonnie Boer: 'Hij leerde mij alles'” (23 april 2025), NOS

  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Duits

Uitspraak

Geluid: kennen (hulp, bestand), kennen (hulp, bestand)

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
infinitief verleden tijd voltooid deelwoord
kennen /ˈkɛnən/ kannte /ˈkantə/ gekannt /gəˈkant/
zwak volledig

Werkwoord

kennen

  1. overgankelijk kennen, bekend, vertrouwd zijn met

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 17.04.2021 Weblink bron kennen in:
    Wolfgang Pfeifer et al.
    Etymologisches Wörterbuch des Deutschen (1993), digitalisierte und von Wolfgang Pfeifer überarbeitete Version im Digitalen Wörterbuch der deutschen Sprache op dwds.de op Wikipedia