koekje - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

2. Een schaal met koekjes.

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord koekje koekjes

Zelfstandig naamwoord

het koekje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord koek
  2. alleen verkleinwoord (voeding) klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
    • De jongens wilden graag een koekje hebben.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Overerving en ontlening
Vertalingen

2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt

Armeens: թխվածք (hy), պեչենի (hy) Bulgaars: бисквита (bg) v, курабия (bg) v Catalaans: galeta (ca) Chinees: 饼干 (zh) Deens: småkage (da) Duits: Keks (de) m Engels: cookie (en) (Amerikaans), biscuit (en) (Engels) Esperanto: biskvito (eo) Fins: keksi (fi) Frans: gâteau sec (fr) m, biscuit (fr) m Grieks: μπισκότο (el) o, βούτημα (el) o Hebreeuws: עוגייה (he) v ('ugi'a) Hongaars: keksz (hu), sütemény (hu), süti (hu), aprósütemény (hu), teasütemény (hu) IJslands: kex (is) o, smákaka (is) v Italiaans: biscotto (it) m Japans: クッキー (ja) Occitaans: galeta (oc) Papiaments: buskuchi Perzisch: کلوچه (fa) Pools: ciastko (pl) o, ciasteczko (pl) o Portugees: bolacha (pt) v, biscoito (pt) Russisch: печенье (ru) o Schots-Gaelisch: briosgaid (gd) v Sloveens: piškot (sl) m Spaans: galleta (es) v Tsjechisch: sušenka (cs) v, keks (cs) m Turks: kurabiye (tr) Zweeds: kaka (sv) g, småkaka (sv) g

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be