lok - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lok lokken
verkleinwoord lokje lokjes

Zelfstandig naamwoord

de lok v / m [3]

  1. haarlok, pluk haar
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

1. haarlok, pluk haar

Duits: Locke (de) v Engels: lock (en) Fins: kihara (fi) Frans: mèche (fr) v, boucle (fr) v Italiaans: ricciolo (it) m Russisch: локон (ru) m Slowaaks: zdúvadlo (sk) o, plavebná komora (sk) v Spaans: bucle (es) m, mechón (es) m, rizo (es) m Tsjechisch: lokna (cs) v Zweeds: lock (sv) g Waals: crole (wa) v

Werkwoord

vervoeging van
lokken

lok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lokken
    • Ik lok.
  2. gebiedende wijs van lokken
    • Lok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lokken
    • Lok je?

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "lok" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be