lustig - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lustig lustiger lustigst
verbogen lustige lustigere lustigste
partitief lustigs lustigers -

Bijvoeglijk naamwoord

lustig [2]

  1. zin hebbende in iets
  2. opgewekt, levendig, monter, vrolijk
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

2. opgewekt

Engels: cheerful (en), gay (en), merry (en) Spaans: alegre (es)

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. lustig op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be