mens - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

mens

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mens mensen
verkleinwoord mensje mensjes

Zelfstandig naamwoord

de mens m

  1. (primaten) Homo sapiens op Wikispecies, het zoogdier waar wij toe gerekend worden en dat zich door zijn rede en taal van de dieren onderscheidt
    • De mens heeft een sterk ontwikkeld brein, maar kan niet vliegen.
    • Freud schrijft: „De waarheid achter dit alles, die men liever verloochent, is dat de mens geen zachtaardig wezen is dat liefde nodig heeft en zich hoogstens weet te verdedigen als het wordt aangevallen; in zijn driftleven is hij juist begiftigd met een enorme dosis agressie. Bijgevolg is zijn naaste voor hem niet alleen een potentiële helper en seksueel object, maar ook iemand die hem ertoe verleidt zijn agressie op hem uit te leven, zonder vergoeding te profiteren van zijn werkkracht, hem zonder instemming seksueel te gebruiken, zich van zijn bezittingen meester te maken, hem te vernederen, pijn te doen, te martelen en te doden.”[2]
      De jongen naast me deed zijn koplamp aan waardoor de in de muur gekraste namen zichtbaar werden: hier waren al eerder mensen gestrand.[3]
      Slechts vier mensen, waaronder ik, hadden microspikes voor onder hun schoenen.[3]

het mens o

  1. (pregnant), (pejoratief), (informeel) vrouw [1], meestal in ongunstige zin (omdat zij vervelend, lastig, raar e.d. is)
    • Zij is een raar mens.
    • Ach mens, doe toch eens normaal.
Schrijfwijzen
Antoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Mensen doen elkaar onprettige dingen aan

De mensen maken allerlei plannen, maar het is niet aan hen of dat ook gebeurt

Stoett-2654 [4]

Iemand die wat durft te zeggen krijgt het meestal wel voor elkaar

Iemand die vooraf weet wat er fout kan gaan moet zich er maar op voorbereiden

Stoett-1145 [5]

Heel veel geld (heel veel kosten)

Stoett-370 [6]

Verwante begrippen
Vertalingen

1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden

Bosnisch: čovjek (bs) m Bulgaars: човек (bg) m Catalaans: home (ca), humà (ca) Chinees: (zh), 人类 (zh) Deens: menneske (da) Duits: Mensch (de) m Elamitisch: ruh (elx) Welsh: dyn (cy) Engels: human (en), human being (en), man (en) Estisch: inimene (et) Fins: ihminen (fi) Frans: homme (fr) Grieks: άνθρωπος (el) m (ánthrwpos) Hongaars: ember (hu) Ido: homo (io) Indonesisch: manusia (id) Interlingua: humano (ia) m, humana (ia) v, esser human (ia) Italiaans: uomo (it), umano (it) Japans: 人間 (ja) (にんげん (ja), ningen), 人類 (ja) (じんるい (ja), jinrui) Koreaans: 사람 (ko) (saram), 인류 (ko) 人類 (ko) (inryu) Latijn: homo (la) m, humanus (la) Lets: cilvēks (lv) m Lingala: moto (ln) 1 Litouws: žmogus (lt) m Noors: menneske (no) o Nynorsk: menneske (nn) o Oekraïens: людина (uk) v (l'udyna) Perzisch: آدمی (fa) (adami) Papiaments: hende Pools: człowiek (pl) m Portugees: homem (pt), humano (pt) Roemeens: om (ro) m Russisch: человек (ru) Servisch: čovek (sr) Sloveens: človek (sl) m Spaans: hombre (es) m, humano (es) m, individuo (es) m, persona (es) v Tsjechisch: člověk (cs) m, lidé (cs) Turks: insan (tr) Vietnamees: người (vi), con người (vi), người ta (vi) Xhosa: umntu, 1 Zweeds: människa (sv) g Zaza: insan, merdım

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "mens" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. www.nrc.nl (25 dec 2025)
  3. 1 2
    Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. www.dbnl.org
  5. www.dbnl.org
  6. www.dbnl.org
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Frans

Uitspraak

Werkwoord

vervoeging van
mentir

mens

  1. eerste en tweede persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van mentir
  2. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van mentir

Latijn

Zelfstandig naamwoord

mens v

  1. geest, verstand
    «Mens sana in corpore sano.»
    Een gezonde geest in een gezond lichaam.
Verbuiging
enkelvoud meervoud
nominatief mens mentēs
genitief mentis mentium
datief mentī mentibus
accusatief mentem mentēs
vocatief mens mentēs
ablatief mente mentibus

Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

mens

  1. (primaten) mens; het zoogdier waar wij toe gerekend worden en dat zich door zijn rede en taal van de dieren onderscheidt
Schrijfwijzen
means meanske meens mèens mèèns mèensch meense mèense mèènse meensk mèensk meenske meins meinse mèns mense mènsk mins mìns minse minsk mìnsk

Meer informatie

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 377

Voegwoord

mens

  1. terwijl
    «Lær spansk mens du jobber.»
    Leer Spaans terwijl je werkt.

| | enkelvoud | meervoud | | | | | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | -------- | | onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | | | nominatief | mens | mensen | mensmenser | mensene | | genitief | mens' | mensens | mens'mensers | mensenes |

Zelfstandig naamwoord

mens, m

  1. (medisch), (informeel), (afkorting) menstruatie, ongesteldheid
Uitdrukkingen en gezegden

de ongesteldheid krijgen

de ongesteldheid hebben

Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

| | enkelvoud | meervoud | | | | | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | ------- | | onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | | | nominatief | mens | mensen | mensar | mensane |

Zelfstandig naamwoord

mens, m

  1. (medisch), (informeel), (afkorting) menstruatie, ongesteldheid
Uitdrukkingen en gezegden

de ongesteldheid krijgen

de ongesteldheid hebben

Veluws

Zelfstandig naamwoord

mens

  1. (primaten) mens; het zoogdier waar wij toe gerekend worden en dat zich door zijn rede en taal van de dieren onderscheidt
Schrijfwijzen
mèèns meens meense mèènse mense mins minse