paprika - WikiWoordenboek (original) (raw)

[1] Paprika (plant).

[2] Paprika's (vrucht).

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord paprika paprika's
verkleinwoord paprikaatje paprikaatjes

Zelfstandig naamwoord

de paprika v / m

  1. (landbouw) bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum op Wikispecies
  2. (groente) vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum op Wikispecies
Verwante begrippen
Vertalingen

1. bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum

2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum

Afrikaans: soetrissie (af) Arabisch: فلفل حلو (ar) Aragonees: pimiento (an) Asturisch: pimientu (ast) Baskisch: pipermorro (eu) Birmees: ငရုပ်ပွ (my) Bokmål: paprika (nb) Bulgaars: чушка (bg) v, пипер (bg) Catalaans: pebrot morro de bou (ca) Chinees: 菜椒 (zh) Deens: paprika (da), peberfrugt (da) Duits: Paprika (de) m, Gemüsepaprika (de) m Egyptisch Arabisch: فلفل حلو (arz) Engels: bell pepper (en), sweet pepper (en) Esperanto: kapsiko (eo) Estisch: paprika (et) Fins: paprika (fi), makea paprika (fi) Frans: poivron (fr) m Hakka: chhiâng-chêu (hak) Hausa: barkono (ha) Hebreeuws: גמבה (he), פלפל (he) Hongaars: paprika (hu) Indonesisch: paprika (id) Italiaans: peperone (it) m Japans: ピーマン (ja) Javaans: lombok loncèng (jv) Jiddisch: פאפריקע (yi) Kabiye: pwaavrɔɔ (kbp) Kannada: ದೊಣ್ಣೆ ಮೆಣಸಿನಕಾಯಿ (kn) Kantonees: 甜椒 (yue) Kazachs: паприка (kk), бұрыш (kk) Koreaans: 단고추 (ko) Lets: paprika (lv) Litouws: saldžioji paprika (lt) Malagasy: sakaibe (mg) Maleis: lada benggala (ms) Maltees: bżar ħelu (mt) Marathi: ढोबळी मिरची (mr) Nepali: भेडे खुर्सानी (ne) Nynorsk: paprika (nn) Occitaans: pebron (oc) Oekraïens: овочевий перець (uk) Oezbeeks: paprika (uz), shirin qalampir (uz) Pasjtoe: خواږه مرچ (ps) Perzisch: فلفل دلمه‌ای (fa) Pools: papryka (pl) Portugees: pimentão (pt) Roemeens: ardei gras (ro) Russisch: перец овощной (ru), перец сладкий (ru) Sanskriet: महामरीचिका (sa) Servisch:Cyrillisch: Бабура (sr) Latijns: paprika (sr) Sloveens: paprika (sl) Slowaaks: paprika (sk) Spaans: pimiento (es) m, morrón (es), pimiento morrón (es), pimiento dulce (es) Tagalog: siling-pula (tl) Tamil: குடைமிளகாய் (ta) Telugu: కూరమిరప (te) Thai: พริกหยวก (th) Tsjechisch: paprika (cs) Turks: biber (tr) Vietnamees: ớt chuông (vi) Waals: poevron (wa) Waray-Waray: hulabtog (war) IJslands: paprika (is) Yoruba: ata tàtàṣé (yo) Zweeds: paprika (sv)

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 7 april 2024 Weblink bron “Hoe spreek je paprika uit? Met een lange of korte eerste a?” op onzetaal.nl
  2. "paprika" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Noors

[3] Paprika (krydder).
Paprikapoeder (kruid)

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

paprika m

  1. (bloemplanten) paprika (plant)
    «Paprika finnes i mange farger.»
    Paprika is in veel kleuren te krijgen.
  2. (groente) paprika (vrucht)
  3. paprikapoeder (kruid)
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | | | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | ----------- | | onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | | | nominatief | paprika | paprikaen | paprikaer | paprikaene | | genitief | paprikas | paprikaens | paprikaers | paprikaenes |

Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties

groene paprika

rode paprika

Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

paprika m

  1. (bloemplanten) paprika (plant)
  2. (groente) paprika (vrucht)
  3. paprikapoeder (kruid)

| | enkelvoud | meervoud | | | | | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------------- | --------------------------------------------------------------------------------------------------- | ---------- | | onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | | | nominatief | paprika | paprikaen | paprikaer | paprikaene | | genitief | | | | |

Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties

groene paprika

rode paprika