rijstrook - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijstrook rijstroken
verkleinwoord rijstrookje rijstrookjes

Zelfstandig naamwoord

de rijstrook v / m

  1. (verkeer) met strepen gemarkeerd onderdeel van een rijbaan dat breed genoeg is voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen
Verwante begrippen
Vertalingen

1.

Baskisch: lerro (errepidea) (eu) Bosnisch: saobraćajna traka (bs) Catalaans: carril (ca) Deens: kørebane (da) Duits: Fahrstreifen (de) Engels: lane (en), corridor (en), passage (en) Esperanto: leno (vojo) (eo) Galicisch: carril (gl) Indonesisch: lajur lalu lintas (id) Japans: 車線 (ja) Maleis: lorong (ms) Marathi: मार्गिका (mr) Noors: kjørefelt (no) Pools: pas ruchu (pl) Spaans: carril (es) m Urdu: رویہ (سڑک) (ur) Zweeds: körfält (sv)

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be