spar - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

1. paal, rechte, dunne stam, vooral als onderdeel van een dak

2. naaldboom uit het geslacht Picea (hier: fijnspar, Picea abies)

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spar sparren
verkleinwoord sparretje sparretjes

Zelfstandig naamwoord

de spar m

  1. (bouwkunde) paal, rechte, dunne stam, vooral als onderdeel van een dak
  2. (coniferen) benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea op Wikispecies
    Maar het lijkt er ook op dat zich daar de bevrijding aandient. Een strakblauwe hemel domineert in het blikveld, het is alsof de sparren respectvol uit zicht blijven.[4]
Synoniemen
Verwante begrippen
Opmerkingen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea

Werkwoord

vervoeging van
sparren

spar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sparren
    • Ik spar.
  2. gebiedende wijs van sparren
    • Spar!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sparren
    • Spar je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 "spar" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. spar op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink Weblink bron
    Rob Gollin
    “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Deens

Woordafbreking

Werkwoord

spar

  1. gebiedende wijs van spare

Engels

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
spar spars

spar

  1. (materiaalkunde) lange paal
  2. (scheepvaart) rondhout
  3. (bouwkunde) ligger zn
  4. (persoon) (vooral in Londens dialect) kameraad, makker zn
vervoeging
onbepaalde wijs to spar
he/she/it spars
verleden tijd sparred
voltooid deelwoord sparred
onvoltooid deelwoord sparring
gebiedende wijs spar

Werkwoord

spar

  1. onovergankelijk, (sport) sparren ww [1]
  2. onovergankelijk bekvechten, kibbelen, kijven ww , redetwisten

Noors

Woordafbreking

Werkwoord

spar

  1. gebiedende wijs van spare

Nynorsk

Woordafbreking

Werkwoord

spar

  1. gebiedende wijs van spara
Schrijfwijzen

Werkwoord

spar

  1. gebiedende wijs van spare
Schrijfwijzen