vermogend - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vermogend

  1. onvoltooid deelwoord van vermogen
  2. bijwoordelijk gebruikt in staat zijnd
    • Niet vermogend te begrijpen waarom zij hem afwees, bleef hij haar lastig vallen.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vermogend vermogender vermogendst
verbogen vermogende vermogendere vermogendste
partitief vermogends vermogenders -

Bijvoeglijk naamwoord

vermogend [1]

  1. veel geld of andere waardevolle zaken bezittend
    • Hij is een vermogend man.
Synoniemen
Verwante begrippen
Antoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

1.

Engels: affluent (en), rich (en), wealthy (en), well-off (en) Spaans: acaudalado (es), acomodado (es), adinerado (es), rico (es)

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be