zitvlak - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zitvlak zitvlakken
verkleinwoord zitvlakje zitvlakjes

Zelfstandig naamwoord

het zitvlak o

  1. (anatomie) achterste, achterwerk
  2. vlak van een voorwerp waarop men kan zitten
Synoniemen
Vertalingen

1. achterste, achterwerk

Duits: Gesäß (de) o Engels: seat (en), butt (en), backside (en), behind (en), bottom (en), buttocks (en) Frans: séant (fr) Italiaans: sedere (it) Spaans: trasero (es) m, culo (es) m, nalgas (es) v /mv, posaderas (es) v /mv

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be