imiteren - WikiWoordenboek (original) (raw)

Drie mannen imiteren het beeld naast hen in het plantsoen naast het stadion.
(Olympische Spelen 1928 Amsterdam)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
imiteren imiteerde geïmiteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

imiteren

  1. overgankelijk doen wat iemand anders doet
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. doen wat iemand anders doet

Duits: imitieren (de), nachahmen (de) Engels: imitate (en), copycat (en) Esperanto: simii (eo) Frans: imiter (fr) Noors: etterligne (nor), etterlikne (nor), herme (nor), imitere (nor) Nynorsk: etterligne (nno), herme (nno), imitere (nno) Oudnoords: eptirleiða, herma Vietnamees: bắt chước (vi), a dua (vi) Zweeds: efterapa (sv), härma (sv) Spaans: imitar (es)

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "imiteren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. imiteren op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be