blamage - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord blamage blamages
verkleinwoord blamagetje blamagetjes

Zelfstandig naamwoord

de blamage v

  1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
    • De actie werd een complete blamage.
Vertalingen

1. een afgang veroorzaakt door eigen falen

Duits: Blamage (de) v Engels: disgrace (en) Frans: honte (fr) v, déshonneur (fr) m Spaans: vergüenza (es) v, deshonra (es) v

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "blamage" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. blamage op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be