boer - WikiWoordenboek (original) (raw)

boer door Lesser Ury op Wikipedia (nl)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boer boeren
verkleinwoord boertje boertjes

Zelfstandig naamwoord

de boer m

  1. (landbouw) (beroep) landbouwer, agrariër, landman
    • In Groningen wonen rijke boeren op het Hoogeland.
      Ook boer Henk Koster kwam afscheid nemen. "Ik heb de hele ontwikkeling meegemaakt, vanaf het begin. Lenie 't Hart kwam vroeger bij ons spullen lenen om zeehondenpups groot te krijgen. Wat hier is opgebouwd, is een succes voor Pieterburen én voor de zeehonden. Voor de levendigheid in het dorp was het beter geweest als het hier was gebleven", zei hij.[4]
  2. (beroep) iedereen die iets levert of produceert (als uitbreiding van bet. 1)
    • Ik ga naar de patatboer, even een vette bek halen
  3. (scheldwoord) persoon zonder of met weinig beschaving, lomperd
    • Wat is dat een lompe boer!
    • De supporters van PSV worden ook wel uitgescholden voor boeren.
  4. (kaartspel) speelkaart met daarop een boer [1] uitgebeeld, waarvan de waarde meestal tussen die van de 10 en de vrouw ligt
    • Bij klaverjassen heet de troef-boer ook wel jas vandaar de term klaverjassen.
  5. (anatomie) geluid dat wordt geproduceerd als lucht vanuit de maag via de slokdarm naar buiten komt
    • De ongemanierde man liet een luide boer.
      Zeker te weten,' beaamde Joop en hij liet een zachte boer zonder zich hiervoor te verontschuldigen.[5]
Anagrammen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

de (niet-fysieke) markt opgaan om iets te verkopen

Iemand die lomp, onbeschoft e.d. is

Er helemaal niets om geven

geforceerd en meestal niet oprecht lachen

Spreekwoorden

als een bedrieger vrome dingen zegt moet je extra voorzichtig met deze persoon zijn

Gezegd over een boer van wie men vindt dat die om niets klaagt

Wees tevreden met wat je hebt

Iedereen doet uit koppigheid gewoon wat hij/zij zelf het liefste wil (waarbij men deze eigenschap in het bijzonder toedichtte aan de boeren)

Een boer moet altijd voortdoen met zaaien en planten, ook al zijn de prijzen niet goed, of mislukt de oogst (figuurlijk: niet opgeven)

Boeren klagen/zeuren altijd maar weer

Wat in een bepaald opzicht verlies is, is in een ander opzicht juist weer winst (voor dezelfde persoon die eerder het verlies leed, of voor iemand anders)

onbekend maakt onbemind ofwel: als iets onbekend is eten sommige mensen dat niet

Zo kom je erachter hoe iets moet of in elkaar zit

Vertalingen

1. landbouwer

Afrikaans: boer (af) Alemannisch: Landwirt, Puur Beiers: Baua (bar) Deens: bonde (da) g Duits: Bauer (de) m Engels: farmer (en), peasant (en) Faeröers: bóndi (fo) m Frans: fermier (fr) m, paysan (fr) m, campagnard (fr) m Fries: boer (fy), agrariër (fy) Grieks: αγρότης (el) m IJslands: bóndi (is) m Italiaans: contadino (it) m Nedersaksisch: boer (nds), Biuer (nds), Buer (nds), Bur (nds), Buuer (nds), Buu'r (nds), Buur (nds) Pools: rolnik (pl) m Roemeens: țăran (ro) m Schots: fermer (sco) Spaans: campesino (es) m, labrador (es) m, paisano (es) m, agrícola (es) m, agricultor (es) m Tsjechisch: farmář (cs) mbezield, zemědělec (cs) mbezield Zweeds: bonde (sv) g

3. persoon zonder of met weinig beschaving

Werkwoord

vervoeging van
boeren

boer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boeren
    • Ik boer.
  2. gebiedende wijs van boeren
    • Boer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boeren
    • Boer je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

Achterhoeks

enkelvoud meervoud
naamwoord boer boeren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boer

  1. (landbouw)(beroep) boer; landbouwer, agrariër, landman

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord boer boere
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boer

  1. (landbouw)(beroep) boer; landbouwer, agrariër, landman

Drents

enkelvoud meervoud
naamwoord boer boeren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boer

  1. (landbouw)(beroep) boer; landbouwer, agrariër, landman

Fries

Zelfstandig naamwoord

boer

  1. (landbouw)(beroep) boer; landbouwer, agrariër, landman

Gronings

enkelvoud meervoud
naamwoord boer boeren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boer

  1. (landbouw)(beroep) boer; landbouwer, agrariër, landman

Meer informatie

Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord boer boeren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boer

  1. (landbouw)(beroep) boer; landbouwer, agrariër, landman
Schrijfwijzen
Biuer Buer Bur Buuer Buu'r Buur

Meer informatie

Twents

enkelvoud meervoud
naamwoord boer boeren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boer

  1. (landbouw)(beroep) boer; landbouwer, agrariër, landman

Veluws

enkelvoud meervoud
naamwoord boer boeren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boer

  1. (landbouw)(beroep) boer; landbouwer, agrariër, landman