nonkel - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nonkel nonkels
verkleinwoord nonkeltje nonkeltjes

Zelfstandig naamwoord

de nonkel m

  1. (familie) broer of zwager van iemands vader of moeder
    • Mijn nonkel komt steevast naar onze familiefeestjes.
Synoniemen
Vertalingen

1. broer of zwager van iemands vader of moeder

Bretons: eontr (br) Duits: Onkel (de) m Esperanto: onklo (eo) Fins: setä (fi), eno (fi) Frans: oncle (fr) m, tonton (fr) m Fries: omke (fy) Iers: uncail (ga) Indonesisch: paman (id), om (id) Interlingua: oncle (ia), avunculo (ia) Italiaans: zio (it) Latijn: patruus (la) m, avunculus (la) m Noors: onkel (no) m Oppersorbisch: wuj (hsb) Perzisch: عمو (fa) Pools: wuj (pl) Portugees: tio (pt) Roemeens: unchi (ro) Sloveens: stric (sl) Slowaaks: strýc (sk) Spaans: tio (es) Tsjechisch: strýc (cs) Turks: amca (tr) Zweeds: farbror (sv), morbror (sv), onkel (sv)

Gangbaarheid

50 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. nonkel op website: Etymologiebank.nl
  3. "nonkel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be