nonkel - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- non·kel
Woordherkomst en -opbouw
- van Frans oncle met metanalyse: de eind-n van den onkel, mijn onkel of mon oncle werd mettertijd beschouwd als een onderdeel van het tweede woord, in de betekenis van ‘oom’ voor het eerst aangetroffen in 1851 [1] [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | nonkel | nonkels |
| verkleinwoord | nonkeltje | nonkeltjes |
Zelfstandig naamwoord
de nonkel m
- (familie) broer of zwager van iemands vader of moeder
- Mijn nonkel komt steevast naar onze familiefeestjes.
Synoniemen
Vertalingen
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
| Bretons: eontr (br) Duits: Onkel (de) m Esperanto: onklo (eo) Fins: setä (fi), eno (fi) Frans: oncle (fr) m, tonton (fr) m Fries: omke (fy) Iers: uncail (ga) Indonesisch: paman (id), om (id) Interlingua: oncle (ia), avunculo (ia) Italiaans: zio (it) Latijn: patruus (la) m, avunculus (la) m Noors: onkel (no) m | Oppersorbisch: wuj (hsb) Perzisch: عمو (fa) Pools: wuj (pl) Portugees: tio (pt) Roemeens: unchi (ro) Sloveens: stric (sl) Slowaaks: strýc (sk) Spaans: tio (es) Tsjechisch: strýc (cs) Turks: amca (tr) Zweeds: farbror (sv), morbror (sv), onkel (sv) |
|---|
Gangbaarheid
- Het woord nonkel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "nonkel" herkend door:
| 50 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[4] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ nonkel op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "nonkel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be