dageraad - WikiWoordenboek (original) (raw)

Dageraad in Ierland

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dageraad dageraden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de dageraad m

  1. het aanbreken van de nieuwe dag [3], de tijd net voor zonsopkomst
    • De dageraad gloort.
      In haar hoofd vermengt Rezeki's rode vlek zich met Marens bebloede doeken, en ze strompelt de voordeur uit, het bordes af, de dageraad tegemoet.[3]
      Sinds de dageraad zijn er veertig minuten verstreken en schuchter komt uit het oosten de schaduw van de nacht binnenschuiven.[4]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst

Afrikaans: daeraad (af), dageraad (af) Boeginees: ᨉᨛᨊᨗᨐᨑᨗ Duits: Morgendämmerung (de) v, Morgengrauen (de) o Engels: dawn (en), daybreak (en) Frans: aube (fr) v Papiaments: abrimentu di dia Pools: brzask (pl) m, świt (pl) m Spaans: amanecer (es) m, alba (es) v, aurora (es) v, alborada (es) v, madrugada (es) v, albor (es) m, amanecida (es) v Welsh: gwawr (cy) v

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "dageraad" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. dageraad op website: Etymologiebank.nl

  3. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526

  4. Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be