klok - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klok klokken
verkleinwoord klokje klokjes

Zelfstandig naamwoord

de klok v / m

  1. (natuurkunde), (tijdrekening) een instrument dat de tijd bijhoudt
    • Als je wil weten hoe laat het is kijk je maar op de klok.
      Hoe laat is het?' Hoewel er een klok achter haar hing, draaide ze zich niet om.[6]
      Maar hoe zat het met Isaac - met welke smoes konden ze hem hier houden? De pendule van de klok in de gang slingerde viermaal.[6]
  2. (muziekinstrument) een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
  3. (communicatie) een akoustisch waarschuwingsmiddel waarmee men geluidssignalen aan de bevolking kan geven
    • De klokken luiden voor de aanvang van de mis, maar ook bij gevaar.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

linksom

Tegen de wijzers van de klok in legden wagens zeven rondes van zo'n 1500 meter af rond een smalle barrière (de spina).[7]

Terug naar oude toestanden gaan

Iemand die steeds precies op tijd is

Gezegd van iets dat op gezette tijden plaatsvindt

Gezegd van iets dat zeer regelmatig voorkomt

Met de regelmaat van de klok werd hij geschorst van school, maakte hij ruzie met jongens uit de buurt of bleef hij soms hele nachten weg.[8]

Weer thuis zijn, is het toch maar het beste

Ruime bekendheid geven aan iets

Een krachtig en gaaf geluid laten horen

Maar gedeeltelijk snappen hoe iets in elkaar zit

alarm slaan

Vertalingen

1. een instrument dat de tijd bijhoudt

Afrikaans: uurwerk (af) Albanees: orë (sq) v Amhaars: የግድግዳ ሰዓት (am) Arabisch: ساعة (ar) v Armeens: ժամացույց (hy) Bretons: horolaj (br) m Bulgaars: часовник (bg) m Catalaans: rellotge (ca) m Chinees: (zh), (zh), 時鐘 (zh), 时钟 (zh) Deens: ur (da) Duits: Uhr (de) v Engels: clock (en) Esperanto: horloĝo (eo) Estisch: kell (et) Fins: kello (fi) Frans: horloge (fr) v Georgisch: საათი (ka) Grieks: ρολόι (el) o Hausa: àgṓgó (ha) Hebreeuws: שעון (he) m Hindi: घड़ी (hi) v Hongaars: óra (hu) Iers: clog (ga) m IJslands: klukka (is) v, úr (is) o Indonesisch: jam (id) Interlingua: horologio (ia) Italiaans: orologio (it) m Japans: 時計 (ja) Jiddisch: זייגער (yi) m Koerdisch: demjimêr (ku), demjimêrk (ku), seet (ku) Kroatisch: časovnik (hr) m Laotiaans: ນາລິກາ (lo), ໂມງ (lo) Latijn: horologium (la) o Lets: pulkstenis (lv) m Litouws: chronometras (lt), laikrodis (lt), marmūzė (lt), spidometras (lt), taksometras (lt) Malayalam: നാഴികമണി (ml), ഘടികാരം (ml) Ambonees Maleis: jam (ms) Maltees: arloġġ (mt) m Noors: klokke (no) Papiaments: klòk Perzisch: ساعت (fa) Pools: zegar (pl) m Portugees: relógio (pt) m Roemeens: ceas (ro) o Russisch: часы (ru) mv Schots-Gaelisch: uaireadair (gd) m Servisch: časovnik (sr) m Sloveens: ura (sl) v Slowaaks: hodiny (sk), tachometer (sk), hodinový impulz (sk) Somalisch: saacad weyn (so) Spaans: reloj (es) m Tamil: கதிகரம் (ta), கதியரம் (ta), கதரம் (ta), கெதரம் (ta) Telugu: గడియారం (te) Thai: นาฬิกา (th) Tibetaans: ཆུ ཚོད (bo) Tsjechisch: hodiny (cs) v mv Vietnamees: đồng hồ (vi) Welsh: cloc (cy) m Zweeds: klocka (sv) g, ur (sv) o

2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons

Werkwoord

vervoeging van
klokken

klok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klokken
    • Ik klok.
  2. gebiedende wijs van klokken
    • Klok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klokken
    • Klok je?

Tussenwerpsel

klok

  1. het geluid van een vloeistof die schoksgewijs door een vernauwing stroomt
    • Daar glijdt je hand al onder je bed en grijpt een fles, daar zweeft hij door de lucht naar de handig aan de muur bevestigde opener en pats daar gaat de dop, de fles tussen de lippen gedrukt, klok, klok, klok, daar knap je van op. [9]
  2. het geluid dat vogels als kippen en kalkoenen maken tijdens het uitbroeden van eieren en het grootbrengen van kuikens
    • Verscheiden breedgevleugelde hennen lokten met een deftig klok, klok, klok, een troep van bonte vederloze kiekentjes tot zich, die met een hulpeloos gepiep tot haar beschermende vleugelen vloden, en elk diertje kende zijn eigen moeder. [10]
Opmerkingen

Meer informatie

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[11]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. klok (bel, uurwerk) op website: Etymologiebank.nl
  3. "klok" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. klok (slok) op website: Etymologiebank.nl
  6. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  7. Onno van Nijf
    “Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312275

  8. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  9. Kuijer, G. "Het dochtertje van de wasvrouw" in: Hollands Maandblad. jrg. 1971 nr. 287 (oktober 1971) Stichting Hollands Weekblad, Den Haag; p. 28; geraadpleegd 2018-08-06
  10. Post, E.M. (ed. A.N. Paasman) Het land, in brieven. (1987) Em. Querido's, Amsterdam; ISBN 90 214 0561 X; p. 154; geraadpleegd 2018-08-06
  11. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be