zwijn - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
1. Een wild zwijn.
Uitspraak
Woordafbreking
- zwijn
Woordherkomst en -opbouw
- erfwoord via Middelnederlands swijn van Oudnederlands swin, in de betekenis van ‘hoefdier’ als deel van een plaatsnaam aangetroffen vanaf de 10e eeuw [1] [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zwijn | zwijnen |
| verkleinwoord | zwijntje | zwijntjes |
Zelfstandig naamwoord
het zwijn o
- (evenhoevigen) benaming voor zoogdieren uit de familie Suidae
, waarvan de mannetjes slagtanden hebben
▸ Een geschoten zwijn roosterde je in zijn geheel aan een draaiend spit.[4] - (scheldwoord) (figuurlijk) iemand die zich vies, onbeschaafd of zeer slecht gedraagt
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. een varken
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zwijnen |
zwijn
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwijnen
- Ik zwijn.
- gebiedende wijs van zwijnen
- Zwijn!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwijnen
- Zwijn je?
Gangbaarheid
- Het woord zwijn staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "zwijn" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[5] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.