huis - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

[1] Een vrijstaand huis.

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huis huizen
verkleinwoord huisje huisjes

Zelfstandig naamwoord

het huis o

  1. (bouwkunde), (wonen) gebouw bestemd om in te wonen
    • Zij wonen in een groot huis.
      Had ik de tocht niet beter 10 jaar kunnen uitstellen totdat ze uit huis zouden zijn?[2]
  2. geheel van de nakomelingen van één voorvader, verwijzing naar iemands afkomst
    • Die mensen zijn alle afstammeling van het huis de Vries.
  3. geheel van personen die officieel tot een vorstelijke familie worden gerekend
    • Het huis van Oranje.
  4. (bedrijf) eenvoudige onderneming van twee of meer personen
    • Producten zijn te koop bij ons huis.
  5. iets wat gemaakt is om een bepaalde inhoud te bevatten
    • Het huis van de kogel.
  6. zetel van een belangrijk persoon, bedrijf of instelling
    • Het Witte Huis, het Anne Frankhuis, Huis ten Bosch, het Holland-Heinekenhuis.
  7. (astrologie) elk van de twaalf sectoren van een horoscoop die te maken hebben met verschillende levensgebieden
    • Het eerste huis van de horoscoop vertelt je meer over iemands fysieke verschijning
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Verwijzingen

Spreekwoorden
Uitdrukkingen en gezegden

sterk op iemand kunnen vertrouwen

wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld

wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld

ergens bekend of goed behandeld worden

Ik wil hen niet meer bezoeken

een persoon wier handelen veel kritiek kan krijgen omdat deze openbaar te volgen is

meteen ter zake komen / onmiddellijk over datgene beginnen waarvoor men kwam zonder

verder van je doel afraken

door te sparen krijg je uiteindelijk een grote som geld

Vertalingen

1. gebouw bestemd om in te wonen

Afrikaans: huis (af) Aino: チセ (cise) Akkadisch: bît Albanees: shtëpi (sq) Angelsaksisch: hūs (ang) Atayal: ngrasal, moráu Avestisch: demāna, nmāna Baskisch: etxe (eu) Bulgaars: къща (bg) v Catalaans: casa (ca) v Chinees: 房子 (zh) (fángzi) Deens: hus (da) o Duits: Haus (de) o Egyptisch: PR Engels: house (en) Esperanto: domo (eo) Estisch: maja (et) Fins: talo (fi) Frans: maison (fr) v Faeröers: hús (fo) o Grieks: σπίτι (el) o Hebreeuws: בית (he) (beit) Hindi: मकान (hi) (makān) m Hettitisch: parn, pir Hongaars: ház (hu) IJslands: hús (is) Ido: domo (io) Indonesisch: rumah (id) Italiaans: casa (it) v Japans: (ja) (ie) v Koptisch: ⲏⲓ m, ⲏⲉⲓ m Koreaans: (ko) (jip) Latijn: domus (la) v Lets: māja (lv) Limburgs: hoes (li) Litouws: namas (lt) Middelengels: hous Minangkabaus: rumah Macedonisch: куќа (mk) v Noors: hus (no) o Nynorsk: hus (nn) o Oekraïens: дім (uk) m (dim), будинок (uk) m (budynok) Oskisch: 𐌌𐌖𐌁𐌝𐌓𐌕 (triibum) Oudgrieks: οἷκος (oĩkos), οἰκία (oikia) Oudhoogduits: hūs Oudiers: teċ Oudkerkslavisch: домъ (domŭ) Oudnoords: hus (no) o Perzisch: خانه (fa) Papiaments: kas (Curaçao), cas (Aruba) Pools: dom (pl) m Portugees: casa (pt) v Quechua: wasi (qu) Roemeens: casă (ro) v Russisch: дом (ru) m (dom) Soemerisch: e₂ Slowaaks: dom (sk) m Spaans: casa (es) v Swahili: nyumba (sw) Oost-Tochaars: oṣke, waṣt West-Tochaars: ost, oskai Taroko: sápah Tsjechisch: dům (cs) m Turks: ev (tr) Tyap: a̱li (kcg) ka Vietnamees: nhà (vi), ngôi nhà (vi), căn nhà (vi) Welsh: ty (cy) Zweeds: hus (sv) o

Werkwoord

vervoeging van
huizen

huis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huizen
    • Ik huis.
  2. gebiedende wijs van huizen
    • Huis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huizen
    • Huis je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "huis" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord huis huise

Zelfstandig naamwoord

huis

  1. huis

Spaans

Werkwoord

vervoeging van
huir

huis

  1. tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van huir
vervoeging van
huirse

huis

  1. tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van huirse