wij - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

| | enkelvoud | meervoud | | | | | -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------- | ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ | | onderwerp | voorwerp | onderwerp | voorwerp | | | 1e persoon | ik'k | mijme | wijwe | ons | | 2e persoon_(informeel)_ | jijje | jouje | jullie | jullie | | 2e persoon_(formeel)_ | u | u | u | u | | 2e persoon_(regionaal)_ | gijge | u | gijge | u | | 3e persoon_(mannelijk)_ | hijie | hem'm | zijze | (dat.) hun(acc.) henze | | 3e persoon_(vrouwelijk)_ | zijze | haar'r, d'r | | | | 3e persoon_(onzijdig)_ | het't | het't | | | | 3e persoon_(genderneutraal)_ | hen | hen | | | | Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm | | | | |

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Persoonlijk voornaamwoord

wij eerste persoon meervoud

  1. nominatief (onderwerp), verwijst naar de groep mensen waar de spreker of schrijver bij hoort
    • Wij lopen naar school.
Gelijkklinkende woorden
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Opmerkingen

Informeel wordt wij (of we) soms ook wel gebruikt om iemand aan te spreken, in plaats van u of jij (Hoe voelen wij ons vandaag?, etc.) Deze aanspreekstijl wordt echter veelal als irritant ervaren.

Vertalingen

1. 1e persoon meervoud nominatief

Afrikaans: ons (af) Duits: wir (de) Engels: we (en) Erzja: минь Fijiaans: keirau, keitou, keimami, kedaru, kedatou, keda Fins: me (fi) Frans: nous (fr) Ido: ni (io) Indonesisch: kita (id), kami (id) Italiaans: noi (it) Latijn: nos (la) Moksja: минь Nedersaksisch: we (nds), wi (nds), wie (nds), wiel (nds), wiele (nds), wij (nds), wi'j (nds), wule (nds), wulie (nds), wy (nds) Oekraïens: ми (uk) (my) Papiaments: nos Pools: my (pl) Portugees: nós (pt) Roemeens: noi (ro) Russisch: мы (ru) Slowaaks: my (sk) Spaans: nosotros (es) m, nosotras (es) v Tsjechisch: my (cs) Taroko: yámi, yamo Xhosa: thina

Werkwoord

vervoeging van
wijen

wij

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijen
    • Ik wij.
  2. gebiedende wijs van wijen
    • Wij!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijen
    • Wij je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. "wij" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Nedersaksisch

Persoonlijk voornaamwoord

wij

  1. wij; 1e persoon nominatief meervoud
Schrijfwijzen
we wi wie wiel wiele wi'j wule wulie wy

Urkers

Persoonlijk voornaamwoord

wij

  1. wij; 1e persoon nominatief meervoud