oor - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord oor oren
verkleinwoord oortje oortjes

Zelfstandig naamwoord

[A] het oor o

  1. (anatomie) lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
    Door de unieke vorm van het oor wordt het geluid net anders vervormd afhankelijk van de richting. En uit de verschillen tussen de oren kan het brein afleiden waarvandaan het komt.[4]
    Na een tijdje merkte ik duidelijk aan mijn oren dat we van zeeniveau naar duizend meter hoogte aan het klimmen waren.[5]
  2. (huishouden) handvat waaraan men een stuk servies kan optillen
    Zit het oor aan een koffiekopje aan de linker- of aan de rechterkant?[6]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Heel goed luisteren

Toen, plotseling, hoorden zij allen tegelijk het geschreeuw van de menigte, die verzameld was voor het Raadhuis. Zij spitsten de oren en hieven de Penselen op.[7]

Aandachtig luisteren naar wat iemand te zeggen heeft

Ten slotte veel dank aan Huib Maaskant, Carlo Groot, Pieter van der Heuvel, Nils Adriaans, Baukje Brugman, Christine Dedding en Char Polak voor hun luisterend oor en adviezen. [8]

Let op wat je zegt, iedereen kan het horen

Heel aandachtig naar iets luisteren

Onderzoeken wat een ander van iets vindt

Dronken zijn

Geïnteresseerd zijn in iets (zoals een voorstel, aanbod etc.)

Iets (een raad e.d.) wel horen maar het vervolgens meteen weer vergeten; gezegd van hardleerse personen aan wie hetzelfde steeds weer opnieuw moet worden verteld

Verschrikkelijk veel eten (bij iemand).

Iemand zeggen wat die fout gedaan heeft

Iets wijs laten maken

Iemand te veel laten betalen

Iets goed onthouden

Je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn

Erg verbaasd zijn

Nog niet volwassen zijn

Bijna klaar zijn

Vertalingen

1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord

Afrikaans: oor (af) Angelsaksisch: ēare (ang) Atayal: papak Avestisch: gaoša (ae), usi (ae) Azeri: qulaq (az) Baskisch: belarri (eu) Bretons: skouarn (br) Catalaans: orella (ca) v Deens: øre (da) Duits: Ohr (de) o Engels: ear (en) o Esperanto: orelo (eo) Fins: korva (fi) Frans: oreille (fr) v Fries: ear (fy) o Grieks: αυτί (el) o (aftí) Hettitisch: istamana Hongaars: fül (hu) IJslands: eyra (is) o Indonesisch: telinga (id), kuping (id) Interlingua: aure (ia) Italiaans: orecchio (it) m Japans: (ja) Kalmuks: чикн Kazachs: қулақ‎ (kk), qulaq (kk) Kirgizisch: кулак (ky) Koptisch: ⲙⲁⲁϫⲉ Latijn: auris (la) v Mari: пылыш Minangkabaus: talingo Minnan: hīⁿ-á (zh-min-nan) Nauruaans: iyungen (na) Nedersaksisch: oor (nds), Or (nds) Noordelijk Sami: beallji Noors: øre (no) Oeigoers: قۇلاق‎ (ug), qulaq (ug), қулақ‎ (ug) Oezbeeks: quloq (uz), қулоқ‎ (uz) Oudegyptisch: MSJR Oudgrieks: οὖς (oũs) Oudhoogduits: ōra Oudnederlands: ōre Oudnoords: eyra Pools: ucho (pl) o Portugees: orelha (pt) v Roemeens: aure (ro) v Sanskriet: उसि (sa) Siraya: taringa Sloveens: uho (sl) Slowaaks: ucho (sk) Spaans: oreja (es) v, oído (es) m Taroko: bírat, birut Tataars: колак‎ (tt), qolaq (tt) Tsjechisch: ucho (cs) o Turkmeens: gulak (tk) Turks: kulak (tr) Tyap: fufwuo (kcg) hu Vietnamees: tai (vi) Zweeds: öra (sv) o

3. handvat waaraan je een stuk servies kunt optillen

1. Een oor van de VOC op Wikipedia (nl) uit 1790.

[B] enkelvoud meervoud
naamwoord (oor)
verkleinwoord oortje oortjes

Zelfstandig naamwoord

[B] het oor o

  1. (numismatiek) oude Nederlandse munt ter waarde van een kwart stuiver ofwel twee duiten
Opmerkingen
Uitdrukkingen en gezegden

Heel sip, teleurgesteld of treurig kijken

Werkwoord

vervoeging van
oren

oor

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oren
    • Ik oor.
  2. gebiedende wijs van oren
    • Oor!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oren
    • Oor je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[9]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "oor" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. oor op website: Etymologiebank.nl
  3. oortje op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 4 april 2020 Weblink bron
    Hendrik Spiering
    “Waarom hebben je oren zo'n onregelmatige vorm?” (15 februari 2012) op nrc.nl op Wikipedia

  5. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  6. Bronlink geraadpleegd op 4 april 2020 Weblink bron
    Micha Kat
    “Edelachtbare, zit het oor van een kopje links of rechts?” (13 december 1997) op nrc.nl op Wikipedia

  7. Herzen, Frank
    “De zoon van de woordbouwer” (1970), ISBN 9062805450, p. 94
  8. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord oor ore

Zelfstandig naamwoord

oor

  1. (anatomie) oor

Voorzetsel

oor

  1. over

Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord oor oren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oor

  1. (anatomie) oor; het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen

Veluws

enkelvoud meervoud
naamwoord oor oren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oor

  1. (anatomie) oor; het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
Afgeleide begrippen