blauw - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- blauw
Woordherkomst en -opbouw
- erfwoord via Middelnederlands blau van Oudnederlands blao, in de betekenis van ‘kleurnaam’ aangetroffen vanaf 1121 [1] [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | blauw | blauwen |
| verkleinwoord | blauwtje | blauwtjes |
Zelfstandig naamwoord
het blauw o
- (kleur) primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
- Dat blauw ziet er best mooi uit.
- Blauw is de kleur van de hemel en de Middellandse Zee.
▸ Samen staan ze te wachten, hun blik gericht op de horizon, waarachter de stad en hun oude leven liggen, onder een hemel die gouden tinten en een nog dieper blauw verspreidt.[4]
Hyperoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
iemand bont en blauw slaan
- Iemand danig toetakelen (zodat die persoon veel blauwe plekken krijgt)
blauw zijn
- Dronken zijn
een blauwtje lopen
- Nul op het rekest krijgen, m.n. bij een (huwelijks)aanzoek of amoureuze toenadering;
een blauwe boon
- Een kogel;
blauwe kaas
zich blauw ergeren of zich bont en blauw ergeren
- Zich sterk ergeren
blauwbekken
- Het erg koud hebben
blauw zien van de kou
- Het erg koud hebben (zodat de huid een blauwe kleur heeft gekregen van de kou)
alles blauw-blauw laten
- Alles maar laten doorgaan, geen actie ondernemen, passief toekijken
blauwe bloempjes
- Praatjes;
- Iemand die van adel is
een blauwe maandag
- Korte tijd iets gedaan hebben (ontstaan uit het productieproces van de kleur blauw uit de wedeplant);
blauwe maan
- De tweede volle maan in één maand
zich blauw betalen aan iets
- Veel te veel betalen ()verwijzend naar het feit dat men som blauwe vingers kreeg van het veel met muntgeld betalen
Zwolse blauwvingers
blauw op straat
- Duidelijke aanwezigheid van geüniformeerde politie in de openbare ruimte in verband met preventie van criminaliteit;
zo blauw als een tientje / zo blauw als een reiger
- Dronken (een verwijzing naar de kleur van het Nederlandse bankbiljet van 10 gulden, resp. de blauwe reiger)
Vertalingen
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | blauw | blauwer | blauwst |
| verbogen | blauwe | blauwere | blauwste |
| partitief | blauws | blauwers | - |
Bijvoeglijk naamwoord
blauw
- (kleur) de kleur blauw hebbend
- Dat lijkt wel een blauw huis!
▸ Hij verscheen in een mooi beige pak, met daaronder een blauw overhemd, dat afstak bij zijn donkere haar en hem een ongelooflijk elegante uitstraling gaf.[5]
▸ Midden in de nacht schrok ik wakker doordat de deur met een klap opensloeg. Twee jongens sprongen verschrikt de hut in, een hoop commotie veroorzakend. Ze waren naar buiten gegaan om te plassen maar werden daar plotseling omringd door een blauwe lichtbol.[6]
- Dat lijkt wel een blauw huis!
- (maatschappij) zijnde een Indo of van (gedeeltelijk) Indonesische of Europees-Indische afkomst
▸ Doch ook daar moeten zij lijden door den vloek hunner geboorte; terwijl voor den gegoeden sinjo alle rangen tot de hoogste toe open staan, is de arme bastaard gedoemd om tal van vernederingen te verduren. Scheldnamen als: »blauwe vent, lekkerpieper, zwart mormel, klipsteen, zwarte aap, blauw lijk”, zijn er schering en inslag; en de beleedigde moet al die krenking stilzwijgend verkroppen om erger te voorkomen.[7]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- blauw gevroren
- iemand bont en blauw slaan
Vertalingen
1. de kleur blauw hebbend
iemand bont en blauw slaan
- Duits: jemanden grün und blau schlagen
Kleuren in het Nederlands (nld) (de kleuren zijn slechts indicatief) (zie ook: RAL-kleuren)
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| blauwen |
blauw
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blauwen
- Ik blauw.
- gebiedende wijs van blauwen
- Blauw!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blauwen
- Blauw je?
Gangbaarheid
- Het woord blauw staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "blauw" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[8] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ blauw op website: Etymologiebank.nl
- ↑ blauw op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "blauw" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
“Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024586332 - ↑
Jessie Burton vert. Marja Borg
“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑
Tim Voors
“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
- ↑
Weblink bron
Henri Hubert van Kol
“Uit onze koloniën : uitvoerig reisverhaal” (1903), Sijthoff, p. 770 op Delpher.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Achterhoeks
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | blauw | blauwen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
blauw
Bijvoeglijk naamwoord
blauw
Nedersaksisch
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | blauw | blauwen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
blauw
Schrijfwijzen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Bijvoeglijk naamwoord
blauw
Schrijfwijzen
Sallands
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | blauw | blauwen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
blauw
Bijvoeglijk naamwoord
blauw
Twents
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | blauw | blauwen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
blauw
Bijvoeglijk naamwoord
blauw
Veluws
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | blauw | blauwen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
blauw
Bijvoeglijk naamwoord
blauw