angst - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- angst
Woordherkomst en -opbouw
- In de betekenis van ‘vrees’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
- Van het Oudnederlandse angust.[2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | angst | angsten |
| verkleinwoord | angstje | angstjes |
Zelfstandig naamwoord
de angst m
- (psychologie) gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
- Mijn hart bonst van de angst.
- ` Wanneer je angstig bent, mijn zoon, zoek dan de reden van je **angst**. Zoek in je hart naar iets dat je **angst** kan laten verdwijnen. [3]_
▸ _Binnen het halfuur waarin wij passagiers op onze papieren werden gecontroleerd raakten de ramen beslagen van **angst**, ja, ik dacht de **angst** hangt in de lucht en dat is de **angst** van ons soort mensen._[4]
▸ _`Onze gasten kunnen gerust slapen in de wetenschap dat hun vertrekken duchtig worden bewaakt; zei Montebello. `Om zich toegang te verschaffen tot de bovenverdiepingen dient men te passeren tussen de hybride verschijningsvorm van de angst en het verraderlijk spinnende poesje dat voor raadselen stelt, die respectievelijk staan voor het weinig realistische zelfbeeld van de man en het wezen van de vrouw, als u het mij toestaat u te amuseren met mijn dilettantisme op het gebied van de symboliek.[5]
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
- beduchtheid, beklemming, benauwdheid, bezorgdheid, nood, ontsteltenis, paniek, spanning, vertwijfeling
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
| Deens: frygt (da) g Duits: Bange (de) v, Bangnis (en) v, Bangigkeit (de) v; Angst (de) v; Befürchtung (de) v Engels: fear (en), anguish (en), anxiety (en), fright (en) Fins: pelko (fi) Frans: peur (fr) v Grieks: φόβος (el) (fóvos) Guarani: kyhyje (gn) Indonesisch: ketakutan (id), kecemasan (id) Interlingua: timor (ia), pavor (ia) | Italiaans: paura (it) v Lezgi: кичӀ Oudgrieks: φόβος (phóbos) Pools: niepokój (pl) m, strach (pl) m, lęk (pl) m Portugees: medo (pt) m, temor (pt) m, pavor (pt) m Roemeens: frică (ro) v, teamă (ro) v Russisch: страх (ru) Sloveens: strah (sl) m Spaans: miedo (es) m, temor (es) m, angustia (es) v, ansia (es) v, ansiedad (es) v, pavor (es) m Tupinambá: sykyîé |
|---|
Gangbaarheid
- Het woord angst staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "angst" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[6] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ "angst" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ angst op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Herzen, Frank
De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 23 - ↑
Safae el Khannoussi
“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125 - ↑ “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers
, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 16 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Duits
Uitspraak
- IPA: /aŋst/
Woordafbreking
- angst
Woordherkomst en -opbouw
- Denominatief van Angst
Bijwoord
angst
- enig in de opvolgende geijkte termen.
Jemandem ist angst (und bange). / Jemandem ist es angst und bange.
- Iemand is bang
Jemandem wird angst (und bange). / Jemandem wird es angst und bange.
- Iemand wordt bang.
Engels
Uitspraak
- IPA: /æŋkst/
Zelfstandig naamwoord
angst